Sorry

By Published On: 23 maart 2022Categorieën: Analyses1 Reactie

In De Koning, Schaakstukken (1987), een bloemlezing uit de meer dan duizend stukken en stukjes die J.H. Donner sinds 1950 over schaken heeft geschreven, samengesteld door Tim Krabbé en Max Pam, staat zijn wellicht meest omstreden uitspraak dat schaken een geluksspel is. In Elseviers Weekblad, 20 november 1967, zegt hij, als hem wordt gevraagd waarom het toernooi van Venetië zo goed voor hem is verlopen, na de ellendige mislukkingen in 1966: ‘Ik ben wel de laatste die daarop kan antwoorden. Zo’n toernooi winnen, mijne heren, gaat vanzelf. Schaken is en blijft een geluksspel.’ ‘Hoe nu, meneer,’ hoor ik roepen. ‘Dat is toch het mooie en edele van het schaakspel dat de kansen gelijk zijn en de spelers zelf alles in de hand hebben?’ ‘Zeker, mijne heren, maar wie heeft zichzelf in de hand?’

Deze week moest ik denken aan bovenstaande uitspraak bij het doorbladeren van een oud notatieboekje van meer dan 25 jaar terug en ik mijn partij tegen een zekere J. Martijn (zal de man nog schaken?) weer eens naspeelde. Een glad verloren staande stelling werd alsnog gewonnen, maar dat was allesbehalve te danken aan mijn briljante spel, maar veel meer aan het falen van mijn tegenstander, die kans op kans liet liggen het volle punt binnen te hengelen. Een bekend fenomeen dat dezelfde Donner beschrijft in zijn partijen tegen de Joegoslaaf Matanovic in Een misdaad jegens het schaakspel, De Tijd, 9 januari 1965) in het Hoogovenschaaktoernooi 1965, en tegen de Argentijn Quinteros (Schaakbulletin 52/53, april 1972) tijdens het Capablanca Herdenkingstoernooi, Cienfuegos op Cuba, 1972.

In Winning Ugly in Chess van Cyrus Lakdawala uit 2019 staat op de achterflap: ‘Wanneer heb je voor het laatst een partij uit één stuk gewonnen? Een partij die niet ontsierd werd door mindere zetten? Elke schaker weet dat gestroomlijnde overwinningen de uitzondering zijn, dat het spel vaak chaotisch is en stellingen niet logisch. De weg naar de overwinning is over het algemeen vol hobbels en misrekeningen. Welkom in de wereld van het onvolmaakte! Als je liever een slecht gespeelde partij wint dan een goed gespeelde partij verliest, dan is dit boek de ideale gids.’ Lakdawala laat zien hoe je er zeker van kunt zijn dat niet jij, maar je tegenstander de laatste fout maakt. De volgende keer dat de verkeerde speler wint ben jij dat!

Terwijl de meeste schaakboeken vol staan met superieur gespeelde partijen, staan er in Winning Ugly in Chess partijen waarin rare zetten worden beloond. Lakdawala weet dat goed spelen prima is, maar je tegenstander verslaan is beter. Hij laat dit zien aan de hand van een aantal thema’s zoals ‘chaos op een verrassende manier overleven’, ‘gemene zetjes’, ‘weigeren op te geven in verloren stellingen’, ‘ontsnappingen door puur geluk’ en ‘niet geforceerde fouten uitlokken’ en ‘andere manieren om na een achtbaan met beide benen op de grond te komen’.

Donner

Als er iemand is die vond hoe heerlijk het is om volstrekt onverdiend te winnen, was het Donner. Dus niet zo vreemd dat juist hij in dit boek is terug te vinden, in dit geval in het laatste hoofdstuk met de toepasselijke titel De Koning! Lakdawala gaat op zoek naar het geheime recept van Donner om partijen die hij niet zou mogen winnen, toch te winnen en komt tot de volgende drie wetten:

  1. Hoe slecht de stelling ook, Donner geeft nooit op en gaat niet in de put zitten als hij wordt overspeeld.
  2. Donner blijft optimistisch en loert op mogelijkheden voor tegenspel en trucjes, zelfs in stellingen die zo rampzalig zijn dat er niets anders rest dan op te geven.
  3. Donner was een psychologische opportunist die zijn stijl aanpast aan de zwakke punten van zijn tegenstander. Bijvoorbeeld zijn winstpartij tegen Fischer. Daarin speelt Donner zo saai mogelijk, omdat Fischer er juist van houdt om te vechten. Of tegen een positionele speler als Portisch aarzelt hij niet de stelling te compliceren, ook al is dit objectief in zijn nadeel.

Dus Donner speelt tegen de persoon, niet tegen het bord!

In Een misdaad jegens het schaakspel, opgenomen in De Koning, beschrijft Donner zijn winstpartij tegen Matanovic:

‘Ik had zwart en op Matanovics 1.e2-e4 probeerde ik nog eens de variant waarmee ik in de eerste ronde tegen Lehmann zo de kous op de kop had gekregen. Ook dit keer ging het weer helemaal mis doordat ik op de zevende zet een loperoffer faliekant over het hoofd zag. Menigeen had direct opgegeven, maar dat vond ik al te gek. Al op de achtste zet verliezen.. Dus deed ik nog een paar zetten. Ik verloor have en goed. Matanovic won één à twee pionnen en stond op een gegeven ogenblik een stuk voor. Hij had rustig kunnen afwikkelen naar een glad gewonnen eindspel, maar dat was hem te min. Kennelijk wilde hij in de kortst mogelijke tijd winnen. Misschien ook ergerde hij zich aan mijn abominabel slechte spel. Ik weet het niet. In ieder geval zag hij een klein schaakje over het hoofd, waarna mat niet meer te verhinderen was. Het duurde even voordat ik me had gerealiseerd dat ik nu had gewonnen. Een vreemde gewaarwording. De gevoelens die een dergelijk zeldzaam staaltje geluk oproepen, zijn niet te beschrijven. Men waant zich de lieveling der goden. Men ervaart een triomf, sterker dan na de fraaiste aanvalspartij die men met grote verdienste tot winst had geleid. Voor Matanovic was het natuurlijk niet zo leuk. Een uur later zat hij nog steeds verbijsterd en niet begrijpend naar het inmiddels leeggeruimde bord te staren. De partij, een misdaad jegens het schaakspel, vindt u hieronder.’

De partij met het commentaar van Donner in De Koning, is aangevuld met dat van Lakdawala (CL) in Winning Ugly in Chess.

Matanovic – Donner

Hoogovenstoernooi, Beverwijk 8 januari 1965

1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Lb5 a6 4.La4 b5 5.Lb3 Pa5

De variant is goed, daar ben ik van overtuigd, maar schijnt mij niet te liggen. Dat het nu voor de tweede keer in drie dagen met deze zet tot een catastrofe moet komen, is werkelijk opvallend. Het is me wel eens meer overkomen. Een jaar of tien geleden verloor ik zes of zeven partijen met de gesloten variant van het Spaans. CL: Zwart bedenkt, tamelijk optimistisch dat ontwikkelen niet zo belangrijk is en gaat op avontuur met het idee het loperpaar te veroveren.

6.d4 exd4 7.Dxd4 d6

Een blunder. Hier moet 7..Pe7 gespeeld worden. CL: 7..Lb7 of gewoon de loper op b3 slaan, was noodzakelijk. De dreiging is 8..c5, gevolgd door 9..c4. De zet van Donner is echter die van een wandelaar die in het woud een beer in winterslaap tegenkomt en zich afvraagt wat er zou gebeuren als hij de beer met een stok zou wakker prikken.

8.Lxf7+

CL: Met dubbele aanval. Giftige dampen stijgen op van de velden d5 en f7. De eens zo slome loper is tot leven gekomen. Wit wint de kwaliteit en een pion en lokt de zwarte koning naar het midden. Zwart kan opgeven.

8..Kxf7 9.Dd5+ Le6

In arren moede. De toren op a8 geven, geeft in ’t geheel geen kansen. CL: Als je helemaal stuk bent, is het niet verstandig je met alles wat negatief is bezig te houden, maar je te concentreren op wat nog wel goed is. Maar als er niets meer goed is, zoals in Donners geval? En dan te bedenken dat ik deze partij vond met de zoekterm ‘Donners beste partijen’! De voortzetting 9..Ke8 10.Dxa8 is ook hopeloos, maar misschien iets minder dan de suïcidale voortzetting die Donner kiest.

10.Pg5+ Ke8 11.Pxe6

Dreigt ook nog 12.Dxa8. Het was vooral schaamte, die mij hier belette op te geven. CL: Met de dubbele dreiging 12.Pxd8 en 12.Dxa8. De zwarte stelling stort in elkaar. Donner zal nu toch wel opgeven?!

11..c6

CL: Nee, hij vindt nog iets. Volstrekt ineffectief, maar toch iets. Later zal blijken dat dit de winnende zet is, omdat de diagonaal g1-a7 wordt geopend. Na 11..Dc8?? volgt 12.Dxa8! Dxa8 13.Pxc7+ Kd7 14.Pxa8.

12.Dh5+

CL: 12.Df5 is beter.

12..g6 13.Df3 De7 14.Pxf8

CL: Matanovic denkt dat zijn aanval zoiets is als een vampier: hij is geboren en zal nooit sterven. Wit kan simpel vereenvoudigen met 14.Dxf8+ Dxf8 15.Pxf8 Kxf8 16.Ld2 Pc4 17.Lc3 Pe5 18.f4 en zwart kan opgeven.

14..Pc4 15.0-0 Pf6

Zwart kan het stuk op f8 niet eens terugnemen, wegens 15.Dc3. CL: Donner knokt wanhopig door. De dames ruilen met 14..Dxf8 is natuurlijk hopeloos. Weer kan zwart niet goed nemen op f8 wegens 15..Dxf8 16.Dxf8+ Kxf8 17.17.b3 Pe5 18.f4 Pd7 19.Lb2 Pgf6 20.e5. Overigens, wat er nu komt is weinig minder aangenaam.

16.Lh6 Pe5 17.Dc3

CL: Dreigt f2-f4 en ondermijnt de dekking van c6.

17..Pfg4

Als wit nu 18.Pxg6 speelt en 19.Lf4 kan de winst geen enkel probleem meer opleveren. Hij wil het echter te scherp doen en probeert het stuk dat hij meer heeft vast te houden.

18.f4 b4

Om de dreiging tegen e6 af te wenden. Het is echter een stuiptrekking. CL: Donner vindt geforceerde zetten in een krakkemikkige stelling. Onderschat deze bewonderenswaardige kwaliteit voor het onverdiend winnen niet! Hoe langer je de partij rekt, hoe groter de kans wordt (in ieder geval statistisch) dat je tegenstander een blunder maakt. 18..Pxh6?? 19.fxe5 Tc8 20.exd6 met een dubbele aanval op toren h8 en de dame.

19.Dh3! Pxh6 20.fxe5 Txf8 21.Dxh6

Voor zo’n zet heeft de zetter geen vraagtekens genoeg. 22.Pd2 wint moeiteloos. CL: Wat?? Soms laat ons gevoel voor gevaar ons in de steek wanneer het geluk ons toelacht. Matanovic zal de koppige weigering van Donner op te geven hebben verfoeit. Het simpele 21.Txf8+ Dxf8 (21..Kxf8 Dxh6+ met schaak!) 22.Pd2 gevolgd door Tf1 is voldoende om de zwarte stelling in elkaar te laten storten.

21..Da7+

En wit geeft op. CL: Oeps! De opschepperige dame van zwart met haar grote mond zegt met een onaangename gedag tegen de witte koning. Wits eens zo riante voordeel verschrompelt als sneeuw voor de zon. Die arme Matanovic zal vast en zeker een hele pot zenuwpillen hebben geslikt en toen  de suïcidelijn hebben gebeld. Dit is wel de meest onverdiende winst aller tijden. ‘Een misdaad tegen het schaken’, zoals Donner het noemde. (0-1).

Tijdens het Capablanca Herdenkingtoernooi op Cuba speelt hij wederom een dergelijke partij..

Quinteros – Donner (Aantekeningen Donner in Schaakbulletin 52/53, april 1972)

Cienfuegos, 1972

1.g2-g3

Quinteros is een speler uit de school Bolbochán-Panno. In Cienfuegos placht hij al zijn partijen al in een vroeg stadium positioneel gewonnen te krijgen. Dat hij het toernooi niet won, zat in een tactisch tekortschieten. Niet alleen in deze partij tegen mij vergooide hij een vol punt, hij deed dit in het toernooi minstens driemaal. Hij had gemakkelijk vier punten meer kunnen hebben. We zullen nog veel van hem horen in de toekomst!

1..Pg8-f6 2.c2-c4 g7-g6 3.Lf1-g2 Lf8-g7 4.d2-d4 0-0 5.Pb1-c3 d7-d6 6.Pg1-f3 c7-c5 7.0-0 Pb8-c6 8.d4-d5 Pc6-a5 9.Pf3-d2 e7-e5 10.e2-e4 b7-b6

Erg weekhartig gespeeld. Het paard staat natuurlijk dubieus daar op a5, maar de overhaaste terugtocht is nu ook weer niet nodig. Het blijkt spoedig dat het paard op b7 minstens zo slecht staat. Zwart had a6 en b5 moeten doen.

11.b2-b3 Pa5-b7 12.Lc1-b2 Pf6-e8 13.Dd1-c2 f7-f5 14.e4xf5 g6xf5 15.f2-f4 Lc8-d7 16.Ta1-e1 e5-e4

De zwarte stelling beviel mij niet meer. De dodelijke wond is het veld e6. Wanneer daar een paard of een toren of een dame op komt, dan is het uit.

17.g3-g4 f5xg4 18.Pc3xe4 h7-h6 19.Pe4-g3 Lg7xb2 20.Dc2xb2 Dd8-f6 21.Db2xf6

Deze zet deed Quinteros zonder lang nadenken. Mij verbaasde dat, want na 21.Dc2 Pg7 22.Te6!! zag ik geen verdediging meer. Kennelijk was mijn tegenstander van mening dat de zet in het eindspel minstens zo sterk is.

21..Pe8xf6 22.Pd2-e4 Pf6xe4 23.Te1xe4 Tae8 24.Te4-e6!!

Daar is-ie dan.

24..Ld7xe6

Behalve opgeven, de enige mogelijkheid.

25.dxe6 d6-d5 26.c4xd5 Pb7-d6 27.f4-f5 Tf8-f6 28.Pg3-e4 Pd6xe4 29.Lg2xe4 Te8-d8

30.Tf1-d1

Een afgrijselijke zet. Wit ziet niet, dat hij onmiddellijk kan winnen met 30.e7 Te8 31.d6 Txd6 32.f6 Kf7 32.Lg6+.

Enkele ogenblikken nadat mijn tegenstander zijn 30e zet gedaan had, viel het licht uit. Met een zucht werden de honderden vuren van Cienfuegos gedoofd en zaten we met z’n allen in het pikdonker. Ook iemand met een zwak ontwikkeld inbeeldingsvermogen, zelfs iemand als Tim Krabbé bijvoorbeeld, zou op dat moment de diepe zin begrepen hebben: Een kermend afwenden van het gelaat van de ganse natuur zelve van de zware zonde die mijn tegenstander met zijn laatste zet begaan had (Donner noemt hier bewust Tim Krabbé, die in 1971 een verzameling van korte verliespartijen van Donner publiceerde in Schaakbulletin, waarmee hij niet onverdeeld gelukkig was..).

De storing in het elektrische net was natuurlijk een wanhoop voor de officials. Over het algemeen zijn wedstrijdleiders in schaaktoernooien geheel overbodig en bemerkt men hun aanwezigheid alleen aan het hinderlijke ‘stilte’ brullen tegen het publiek en het de spelers stukken uit handen te rukken na afloop van de partij, maar hier was nu eens een echt probleem, waarover niets in de reglementen staat. Er werd opgebeld, maar de centrale verwachtte dat de storing zeker drie uur zou duren.

Wat te doen? Er was nog anderhalf uur te spelen voor de eerste tijdcontrole en er werd besloten de partijen af te breken, uiteraard zonder zet af te geven. (Ik was blij dat de storing niet enkele seconden eerder was gekomen). Om tien uur ’s avonds zou verder worden gespeeld. Ik wist dat deze regeling mijn tegenstander om zeer bepaalde redenen uiterst onaangenaam was.

Quinteros is een jonge man van 24 jaar. Hij heeft die malle zwarte kijkers en dat ongedisciplineerd krulhaar, waar bepaalde vrouwen – helaas niet de lelijkste – zo verzot op zijn. De vorige avond had ik hem in de bar gezien met een onbehoorlijk mooie. Zij was weliswaar niet waarmee ik hem een paar dagen eerder had gesignaleerd – die met die grote mond en dat kleine neusje – maar wel had zij dezelfde uitdrukking op haar gezicht: onbeteugelde adoratie.

Het leek mij waarschijnlijk, dat Quinteros voor 10 uur ’s avonds geheel andere plannen had dan het spelen van een partij schaak met Johannes Donner. Om hem nog meer te ergeren, zei ik, dat het eigenlijk jammer was, dat hij niet 30.e7 gespeeld had, want dan had ik opgegeven.

De analyse van de afgebroken stelling leerde mij intussen, dat ik nog steeds volkomen verloren stond. Maar op psychologische, filosofische en theologische gronden was ik vol goede moed. Winst vergde nog enkele fijnheden van wits kant en daartoe achtte ik mijn tegenstander niet meer in staat.

Wat gebeurde overtrof nog mijn verwachtingen:

30..Td8-d6 31.Kg1-g2 Kg8-g7 32.Kg2-g3 Tf6-f8 33.Kg3xg4 Kg7-f6 34.Kg4-f4 Tf8-g8 35.b3-b4!

Dat is de ellende! Wit breekt met zijn toren binnen langs de damevleugel. Ik had echter nog een kleine kans gevonden.

35..h6-h5 36.h2-h3 Tg8-g5

Bindt de witte toren aan d5. Op bijvoorbeeld 36.Tc1 komt 36..Txd5.

37.Td1-e1!

Een bittere teleurstelling voor mij. Ik had namelijk gevonden dat deze zet op zeer elegante wijze snel wint. Alleen, het blijkt dat wit de zet doet met geheel verkeerde bedoelingen.

37..h5-h4 38.Le4-c2??

Daarom speelde hij dus 37.Te1! maar dan is het 37.Te1? Wit wint prachtig met 38.Td1!! en zwart is in absolute tempodwang. Zijn toren op g5 moet de bedreiging van pion f5 opgeven en dan komt 39.Tc1 en de strijd is over. De andere toren en de koning van zwart kunnen natuurlijk in het geheel niet spelen. Na de tekstzet staat zwart gewonnen.

38..Td6xd5 39.b4xc5 b6xc5 40.e6-e7

Geeft nog een pion weg, maar het doet er al niet meer toe.

40..Td5-d4+ 41.Kf4-f3 Tg5-g3+ 42.Kf3-f2 Td4-f4+ 43.Kf2-e2 Kf6xe7

Zwart geeft het op.

Ik kon niet nalaten iets te zeggen, dat ik nog nooit gezegd heb na het winnen van een schaakpartij. Misschien wel eens gedacht, maar nooit gezegd. Ik zei: ‘Sorry.’

Dat ikzelf (wie niet zou je haast zeggen!) dergelijke partijen ook heb gespeeld, mag duidelijk zijn. Een voorbeeld.

Marten Coerts – John Martijn

Alkmaar, 22 maart 1998

1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Lc4 Lc5 4.0-0 Pf6 5.d3 h6 6.c3 a5 7.d4 Ld6 8.De2 0-0 9.Td1 Te8 10.d5 Pe7 11.Pbd2 Pg6 12.Pf1 Lc5 13.h3 d6 14.Pg3 Pf4 15.Dc2 g5 16.Le3 g4 17.hxg4 Lxg4 18.Lxc5 Lxf3 19.Le3 Pxg2 20.Lxh6 Pg4

20..Pf4!

21.Pf5 Ph4

Ruim voldoende, maar ook nu was 21..Pf4 beter.

22.Dd2 Pxf5 23.exf5 Dh4

En hier is 23..e4! een stuk sterker.

24.Dg5+ Dxg5 25.Lxg5 Lxd1

Begrijpelijk, maar zowel 25..Kh7 als 25..Kg7 om ruimte voor de toren te maken, zodat deze naar h8 kan, waren veel betere opties voor zwart.

26.Txd1

Na reeds meerdere mogelijkheden te hebben gemist de partij snel te beslissen op de 20e, 21e, 23e en 25e zet, staat zwart met een volle kwaliteit meer nog steeds gewonnen. Maar opgeven kan altijd nog, dus wit rommelt nog maar even verder.

26..Kg7

Wederom niet de sterkste voortzetting. Na 26..f6 27.Ld2 Kf7 gevolgd door ..Th8 speelt de zwarte stelling een stuk gemakkelijker.

27.Td3

Een goed idee. Wit probeert tegenkansen te creëren door met zijn toren naar g3 te gaan.

27..Pf6 28.Tg3 Ph5 29.Tg4 f6

Niet slecht, maar nu was 29..Tg8 toch ietsje beter geweest.

30.Le3+ Kf7 31.Th4 Th8 32.Lb5 Pg7

Waarom niet eerst 32..Tag8+? Na 33.Kf1 Pf4 34.Txh8 Txh8 35.Lxf4 exf4 heeft het niet veel zin meer door te spelen. Na de tekstzet staat zwart nog steeds (veel) beter, maar niet meer direct gewonnen.

33.Tc4

Natuurlijk wil wit geen torens ruilen.

33..Pe8

En hier was 33..Pxf5 34.Txc7+ Kg6 een betere voortzetting.

34.Lxe8+ Taxe8 35.Txc7+

In vergelijking met een 4-tal zetten geleden is van zwarts voordeel niet heel veel meer over, maar heeft hij nog steeds de beste kansen.

35..Te7 36.Lb6??

Een vreselijke zet, die ik nu nooit meer zou doen. Door vrijwillig torenruil aan te bieden, staat zwart wederom gewonnen.

36..a4??

Hij neemt niet, omdat hij bang is om na 36..Txc7 zijn a- of d-pion te verliezen. Maar na 37.Lxc7 a4 38.Lxd6 Td8 kunnen de stukken écht terug in de doos.

37.Tc4

Nu is alles weer in orde. Wit leeft nog steeds.

37..a3 38.b3 Ta8?

Veel te voorzichtig gespeeld. Na zowel 38..Th5 39.Ta4 Txf5 40.Txa3 Tg5+ als 38..Tg8+ 39.Kf1 Tg5 40.Ke2 Txf5 behoudt zwart zijn voordeel.

39.Lc7 Td7 40.Lb6 Kg7 41.Kf1 Ta6 42.Tg4+ Kf7 43.Le3 Td8

Na deze zet is de stelling volgens de computer volkomen in evenwicht.

44.Th4 Kg7 45.Tg4+ Kf7 46.Th4

Remise?

46..Td7

Nee! En gelukkig maar! Pas nu is het dat wit (iets) beter staat na zijn volgende zet. De belangrijkste reden is de werkloze zwarte toren op a6.

47.Th7+

47..Ke8 48.Th8+ Ke7 49.Lh6?

Ook wit maakt nog steeds fouten. Nu hij (eindelijk!) beter staat, geeft hij zijn voordeel net zo snel weer cadeau. Veel sterker was 49.c4!

49..Ta5 50.c4 b5 51.Ld2 Taa7 52.cxb5 Tab7 53.La5

53..Kf7?

Hij wil nog steeds geen remise na 53..Txb5 54.Th7+ en blijft tegen beter weten in halsstarrig op winst spelen.  

54.b6 Kg7 55.Tc8!

De rollen zijn volledig omgedraaid. Het is wit die nu gewonnen staat.

55..Kh6 56.Ld2+ Kh5 57.f3!

Nu nog een toren naar h8 en zwart staat mat!

57..Th7

58.Le3??

Ongelooflijk. Juist op het moment dat zwart zo goed als mat staat, laat wit de winst uit zijn handen glippen. Na zowel 58.Kf2! Txb6 59.Tc1 als na direct 59.Tc1! Txb6 60.Kf2! gaat het punt onmiddellijk naar wit.

58..Tbe7??

Nu wint wit alsnog. Na 58..Kh4! 59.Kf2 Kh3! 60.Tc1 Kh2! 61.Tc6 Kh1! 62.Ke2 Kg2 63.Txd6 moet wit nog wel ‘even’ werken voor het punt.

59.Kf2! Tb7

Gooit de handdoek in de ring, hoewel de partij ook na 59..Teg7/Thg7 60.Tc1 en zwart moet zijn toren geven om het mat te vermijden, snel voorbij zou zijn.

60.Tc1

De slotstelling mag dit keer niet ontbreken.

(1-0).  

En hoewel er volgens Donner geen mooiere manier van winnen is dan zoals hiervoor beschreven, win ik toch veel liever een partij waarop ik trots kan zijn door goede zetten te hebben gedaan, dan door het geblunder van mijn tegenstander. John Martijn verdient dan ook bijna 24 jaar na dato alsnog mijn excuses voor deze onverdiende zege: ‘Sorry.’

One Comment

  1. rob 8 april 2022 at 11:54

    Mooi beschreven Marten,
    Ik zie dit eigenlijk op elke doorsnee clubavond op vele borden gebeuren….
    De verontwaardigde blikken bij sommige spelers als hun tegenstanders niet willen opgeven, maar door blijven modderen in compleet verloren stellingen….prachtig toch eigelijk ?
    En ja, zonder foutjes en psychologische truukjes is het schaken wel heel saai natuurlijk.

Leave A Comment