Hoe worden we beter?

By Published On: 17 mei 2013Categorieën: Analyses, Theorie28s Reacties

Update: zie hieronder de oplossingen zoals gespeeld:

Karpov-Nogueiras, Brussel 1988
Capablanca-Ragozin, Moskou 1935

Onlangs laaide deze discussie op na de laatste wedstrijd van het seizoen. Het antwoord op deze vraag is eigenlijk kinderlijk eenvoudig: door beter zetten te doen. En we doen betere zetten als we betere beslissingen nemen. Nou is dat natuurlijk helemaal niet makkelijk. Er zijn veel geëigende paden die je kunt bewandelen. Tactiek is de basis – zonder tactisch inzicht geen kans. Partijen van goede spelers naspelen helpt ten dele – de moeilijkheid is – en ik spreek uit ervaring – om er de goede dingen uit te halen, waar je wat van leert. Wie kent niet het gevoel bij het naspelen van bijvoorbeeld Fischers partijen, dat alle zetten zo logisch en voor de hand liggend lijken, dat we ze zelf hadden kunnen bedenken? En daarin schuilt het verraderlijke. Het is bovendien essentieel dat je partijen bestudeert die door de speler zelf worden becommentarieerd (met fouten in de analyse etc.) of door een uitmuntend analyticus zoals Timman, Hübner, Dvoretski, Kasparov etc.

Andere auteurs doen het nog wel eens voorkomen alsof alle beslissingen van grote spelers het gevolg zijn van een volledig uitgedachte lange-termijn strategie. Dat komt echter maar zeer zelden voor en is bovendien vaak nogal een subtiele zaak en vaak ook helemaal niet nodig. In de praktijk gaan partijen meer van moment tot moment, fragment tot fragment. Het is in theorie dus niet nodig om alles te overzien, als je in elke afzonderlijke stelling maar een goede zet vindt. En dat is natuurlijk wel vaak gebaseerd op hoe diep je de stelling hebt doorgrond, of hoe goed je hebt gerekend. Schaken is een moeilijk spel. Maar we kunnen het oplossen van problemen wel vereenvoudigen.

Dat is zo ongeveer de strekking van GM Jacob Aagaards benadering in zijn uitstekende serie boeken ‘Grandmaster Preparation’ (Verdeeld in vier thema’s: calculation, positional play (‘klein plan’), grandmaster strategy en endgame play.). Aan het begin van het seizoen viel me per toeval via Rob Freer (Rob bedankt!) het deel ‘Calculation’ in handen. Intussen heb ik zelf andere delen aangeschaft. De serie is buitengewoon leerzaam en bevat bovendien naast uitstekend instructiemateriaal ook veel opgaven – en daar schort het vooral op het vlak van strategie nogal eens aan.

Via deze weg hoop ik de leergierige schaker op de club die vaak wel beter wil worden, maar geen tijd heeft om zich door hele series boeken heen te worstelen, een aantal opgaves aanbieden (op thema), die er vooral toe moeten leiden dat je anders naar de stelling op het bord gaat kijken en daardoor wellicht al is het maar af en toe betere beslissingen neemt.
Voordat we aan het schaaktechnische stuk toekomen: wat zijn dan betere beslissingen? “Beter” is natuurlijk een vaag, van geval tot geval te definiëren, begrip. Ik wil betere beslissingen die beslissingen noemen waar:

– een concreet idee achter schuil gaat. Te vaak blinken we uit in het doen van zetten die geen enkel concreet doel dienen, maar gebaseerd lijken op vage overwegingen als ‘die toren moet naar e1’.

– de tegenstander hinderen in zijn plan en de eigen stelling verbeteren.

– de eigen stelling verbeteren wil zeggen: eigen zwaktes oplossen, zwaktes in de anders stelling aanvallen of bezetten.

Aagaards handreiking voor het beoordelen van een stelling zijn daarbij heel nuttig: vraag je bij elke beoordeling steeds drie dingen af:

1. Waar zijn mijn zwaktes? Waar zijn de zwaktes van de tegenpartij? [koning, pionnen, velden]

2. Wat is het slechtst staande stuk?

3. Wat wil mijn tegenstander doen? Hoe kan ik dat op een goede manier verhinderen?

Over die drie vragen alleen kun je al een heel boek vullen. Ik wil me hier beperken tot de derde vraag en het thema restrictie (inperken van mogelijkheden van de tegenpartij) bespreken aan de hand van twee meesters in restrictie: José Raul Capablanca en Anatoly Karpov, aan de hand van redelijk onbekende stellingen.

De opzet is als volgt: elk diagram vertegenwoordigt een opgave, namelijk om in die stelling de bovenstaande vragen te beantwoorden en daarna de zet te vinden die het antwoord geeft op vraag 3. De bedoeling is dat je daar zelf over nadenkt. Schrijf het liefst de zet op (omdat we nou éénmaal weinig kritisch zijn op onzelf) en check het antwoord. Vraag 3 is in vrijwel elke stelling relevant. Natuurlijk is het schaken zo ingewikkeld dat het niet altijd relevant is om de plannen van de tegenstander bewust te verhinderen – soms kun je ze toestaan, als je tegenstander bijvoorbeeld geen tijd heeft om ze uit te voeren – dat is een kwestie van beoordeling.

Restrictie

Het thema restrictie is heel ruim te nemen. Het kan gaan om het verhinderen van een bevrijdende pionzet, maar ook om het systematisch ontnemen van goede velden aan de stukken van de tegenpartij. In de volgende voorbeeldpartij is dat wat Karpov en Capablanca doen. Langzaam wordt de ruimte waarop de vijandelijke stukken zich kunnen bewegen ingeperkt totdat wit naar believen kan afwikkelen naar een technisch eenvoudig gewonnen stelling. Eigenlijk is de fase hieraan voorafgaand ook een kwestie van het consequent toepassen van de techniek om je steeds af te vragen hoe de tegenstander zijn stelling kan verbeteren en de actiefste mogelijkheid te verhinderen.

image

Karpov – Nogueiras – World Cup 1988, Brussel.
Stelling na 23…Pd4

Deze partij uit het World-Cup circuit maakte grote indruk op me, vanwege het thema van restrictie. Karpov beperkt eerst systematisch de activiteit van de zwarte stukken, alvorens hij zelf zijn meerderheid op de koningsvleugel activeert. Het toernooiboek, onder redactie van Wim Andriessen, is van het type dat helaas vandaag de dag niet meer wordt gemaakt.

De vraag is wat doet wit?

Eerst maar eens de tactische dreigingen: Zwart aan zet “dreigt” Pb5 en Kc7 met kwaliteitwinst. Stel dat zwart Pb5 heeft gespeeld, dan kan wit dat verhinderen door Ld2-a5 te spelen, maar dan hangt pion a4. Als wit ervoor kiest door a4-a5 de toren te dekken, bereikt het paard het mooie veld e4 via c3, waarna een min of meer gelijke stelling ontstaat. Pd4 is bovendien het actiefste stuk van zwart. In deze stelling kan zwart verder alleen tegenspel zoeken door middels d5-d4 de loper te activeren, dan wel door f7-f6 de stelling open te breken (na Tf8xf6 hangt dan het openen van de stelling met e6-e5 in de lucht, waardoor er tegenspel tegen de witte koning ontstaat). Karpovs zetten zijn erop gericht om dit mogelijke tegenspel zoveel mogelijk te beperken. Daarvoor gebruikt hij steeds kleine dreigingen, waardoor zwart geen tijd heeft om zijn stukken te activeren en ze juist op steeds slechtere velden komen te staan. De eerste (logische) zet is 24.Tb4! Pb5. En nu?

Wit zou graag 25.a4 spelen mits het paard dan terug moet naar c7. Vanaf c7 is er weinig toekomstperspectief: het paard kan via e8 en g7 naar f5, maar wit heeft dat tijdig onder controle door op het goede moment g2-g4 te spelen (rekening houdend met de verzwakking van h3). Zwart kan hooguit proberen het paard via a6 en c5 alsnog naar e4 te dirigeren, maar dat kost tijd en waarschijnlijk de pion op a5 – als het al haalbaar is om dit plan uit te voeren. 25.a4? laat echter Pc3-e4 toe. Dat verklaart Karpovs volgende zet: 25.Lb2! (neemt bovendien d4-e5-f6 onder controle) 25…Th8 26.h3 Tdg8 – zwart probeert tegenspel te organiseren. Er dreigt nog niets concreets, maar we weten allemaal hoe makkelijk het is om opeens een bevrijdende zet over het hoofd te zien. Wit moet steeds rekening houden met de mogelijkheid dat zwart tegenspel zoekt door d4, of eerst Th4 gevolgd door d4. Nu kan dat nog niet, maar stel dat zwart aan zet is, dan zou d4 wellicht een pion kosten na 27.a4 Pc3 28.Txd4, maar zijn de zwarte stukken na Pd5 wel actief. Karpovs volgende zetten zijn daarom goed te begrijpen: het zwarte paard vormt steeds de spil van mogelijk tegenspel en wordt weggejaagd uit het centrum.

clip_image002

Karpov – Nogueiras – World Cup 1988, Brussel.
Stelling na 26…Tdg8

De vraag is nu: wat speelt wit?

Mij lijkt dat 27.a4 en 27.Tc1 even sterk zijn. Karpov koos 27.Tc1 en na 27…Kd7 28.a4! Pc7 ontstond de volgende stelling:

clip_image004

Karpov – Nogueiras – World Cup 1988, Brussel.
Stelling na 28…Pc7.

Om al het tegenspel met d5-d4 eruit te halen ligt de volgende zet voor de hand. Wit heeft bovendien geen haast en zet eerst zijn stukken op betere velden, omdat zwart niet veel kan ondernemen. 29.Ld4! – een poging om tegenspel te scheppen middels Th4 wordt nu beantwoord met 30.Kf3 en er zijn geen schwindels die met 30…f6 beginnen (dat kost alleen maar heel veel materiaal). a5 – hier komt het thema verharren weer om de hoek kijken. Misschien kan zwart beter ‘niets doen’ om geen extra verzwakkingen te scheppen. Hoewel wit in dat geval een eenvoudig plan heeft (in dit geval gaat het wel om een lange termijn strategie, maar is het toch steeds wel concreet zoeken naar de juiste manier van spelen): g2-g4 (b.v. na de voorbereidende zetten Tc3 en Lf1, gevolgd door Kg3, h3-h4-h5, g4-g5 etc. Een witte vrijpion lijkt dan de doorslag te geven. Karpovs stijl kennende is de volgende zet makkelijk te voorspellen.

clip_image006
Karpov – Nogueiras – World Cup 1988, Brussel.
Stelling na 29…a5.

30. Tb6 verhindert zelfs de minste vorm van tegenspel middels Pa6 (dat kost een stuk na Lxa6). Soms heb je in zo’n stelling echter ook een beetje tactiek nodig om bepaalde beslissingen te rechtvaardigen. De rekenvraag die je jezelf natuurlijk moet stellen voordat je tot 29.Ld4 besluit is: “Wat gebeurt er eigenlijk na Lxa4?”

clip_image008
Analysediagram

Hier mag een zichzelf respecterende clubschaker in ieder geval de geforceerde variant wel vinden na:

30…Lxa4 heeft wit drie kandidaatzetten: A. 31.Td6+ B.31.Txb7 en C.31. Ta1. Een groot verschil tussen Kotovs methode en die van Aagaard is het kortsluiten van varianten. Van Kotov moesten we nog alle vertakkingen berekenen en daar ook weer kandidaatzetten bekijken etc. Weinigen kunnen dat en meestal leidt excessief rekenen alleen tot tijdnood. Mijn advies zou dan zijn: bekijk eerst de meest geforceerde variant en als dat niet tot een bevredigend antwoord leidt, zorg dan voor een noodremvariant (C: 31.Ta1 – als niets werkt, dan in ieder geval de pion terugwinnen). B. Is de meest geforceerde variant, omdat zwart hier steeds een paar gedwongen zetten heeft. Dat leidt dan tot:

B. 31.Txb7! waarna zwart twee kandidaatzetten heeft: B1: 31…Lc6 (gemist? Strafpunten!!) en B2 31…Tc8. We vinden al snel: 31…Tc8 32.Lb6 Lc6 (nu echt de enige zet) 33.Lb5!! Lxb5 34.Tbxc7+ Txc7 35.Txc7+ en nu wint 35…Ke8 36.Tc8+ een toren en 35…Kd8 36.Tc5+ een loper en de partij).

clip_image010
Analysediagram

Ook na 31…Lc6 vinden we 32.Lb5!! met mat na 32…Lxb5 33.Tbxc7+ Ke8 34.Tc8+ Ke7 35.T1c7+ Ld7 36.Lc5 mat. Aangezien deze variant in alle vormen bevredigend is en relatief makkelijk te berekenen (want alles is gedwongen en Lb5! is de enige zet die je echt gezien moet hebben) bespaart het een hoop tijd op de klok om met deze variant te beginnen. Hoewel het niet erg is om kort 31.Td6+ te onderzoeken: we vinden dan dat het nog niet zo eenvoudig is na 31…Kc8 32.Lb6 Lc6 33.Txc6 bxc6 34.Txc6 Kb7! Of 32.Lxa5 (met de idee: zwart kan toch niets doen, volgende zet Txc6 en dan wint het wel) Pe8! en hoewel wit niet verloren staat, is de controle toch wel weg. Jammer als je ook geforceerd kunt winnen met Txb7. C.31. Ta1? verdient natuurlijk strafpunten.

In de partij volgde: 30…Pa8 31.Tb2 Pc7 32.Tb6 Pa8 33.Tb2 Pc7 – even tijd winnen, wit heeft geen haast en in zo’n stelling is “don’t hurry” ook zo’n gouden regel. 34.Tc5 Ta8 35.Tb6 Thc8

clip_image012

Karpov – Nogueiras – World Cup 1988, Brussel.
Stelling na 35…Thc8.

Nu heeft Karpov zijn zin. Door de zet a5 heeft zwart onnodig een extra zwakte gecreëerd, waardoor wit de zwarte stukken eerst aan de dekking daarvan kan binden. De zwaktes bij zwart zijn nu in ieder geval pion a5 en b7, de zwarte velden. Wits belangrijkste troef is zijn meerderheid op de koningsvleugel. Nu zwart geen tegenspel meer heeft en vrijwel ‘pat’ staat, doordat de torens en loper gebonden zijn aan de dekking van de zwaktes, het paard geen velden heeft, kan wit het karwei op de koningsvleugel afmaken. Indien zwart daar dan weer moet verdedigen, zal vroeg of laat een zwakte van het bord verdwijnen of de h-pion promoveren. De regel in zo’n stelling is voor de aanvallende partij alleen om bevrijdende zetten in de gaten te blijven houden. Het gevaar bestaat namelijk ook om te denken dat de klus al is geklaard.

36.h4! op het juiste moment. Pa6 deze wending was niet te verhinderen. De vraag is wat het paard op b4 kan uitrichten: niet zo veel. Het paard kan naar a2 springen. En natuurlijk dreigt zwart dan even Lxb5 (uitschakelen verdediging) en Pd3+ met dubbele aanval op Koning en Toren. Daarom trekt Karpov zijn toren terug naar c3, om daarna de loperuitval naar b5 voor te bereiden (b7 is een zwakte). 37.Tc3 Pb4

clip_image014

Karpov – Nogueiras – World Cup 1988, Brussel.
Stelling na 37…Pb4.

De vraag is: wat nu? (wat is nog een zwakte bij wit?).

Wit hoeft zich alleen zorgen te maken om pion a4. Die is nu nog indirect gedekt door de dreiging Txb7. Het probleem voor zwart is vooral dat wat hij ook doet (stel wit speelt 38.Lb1) hij steeds tempi lijkt te verliezen, terwijl wit langzaam maar zeker progressie kan boeken. Toch moet je nog oppassen met wit, om de controle niet te verliezen. Indien zwart na 38.Lb1? probeert om b7 te dekken door Tab8 speelt wit Tc5 terug, waarna a5 hangt en wit in feite een tempo wint. Speelt zwart daarentegen Tc7, dan dreigt er nog niets, omdat wit Lxa4 altijd beantwoordt met Td6+ en hoe het dan mat gaat, mag de lezer zelf uitvinden. Zwart lijkt dan zelfs niet veel beter te hebben dan 38…Th8. Na 39.g3 Ta6 lijkt zwart te kunnen vechten. Maar natuurlijk is dat allemaal onzin, wit heeft een logische en sterke voortzetting, waarmee hij de controle houdt, een tempo wint en bovendien als het éénmaal voordelig is kan afwikkelen naar een gewonnen stelling.

38.Lb5! vooral goed omdat het een tempo wint: zwart moet b7 dekken en dat geeft wit tijd om op de koningsvleugel zijn meerderheid in beweging te zetten. Wit domineert het gehele bord. Karpov maakt het technisch fraai af. 38…Kc7 39.g4 Tg8 40.Kg3 Th8 41.h5 Tag8 42.Kh4 Ta8

clip_image016

Karpov – Nogueiras – World Cup 1988, Brussel.
Stelling na 42…Ta8.

Deze opgave valt niet onder het thema restrictie, maar onder het thema het ene voordeel inruilen voor het andere. De volgende zet in de partij is misschien wel het moeilijkst te vinden. Wit staat op de koningsvleugel optimaal. Toch lijkt het niet zo eenvoudig om verder te komen. Karpov heeft echter een nieuwe zwakte op het oog: pion f7.

43.Lxc6! bxc6 44.Tb5 op weg naar het ideale veld c5, waar de toren pion a5 en c6 onder schot houdt. Zwart lijkt gedoemd tot toekijken. 44…Ta6 45.Tc5 Taa8 46.Tf3! Kd7 47.f5 exf5 als zwart niet neemt, heeft wit na fxe6 fxe6 twee verbonden vrijpionnen. 48.Txf5 Ke7 49.Tf6 Th7 50.h6 Ta6 51.g5 Th8 52.Tc3 Taa8 53.Tcf3 Th7 en opgegeven vanwege Lc5+ gevolgd door e6.

Eindigen we met een serie opgaven (antwoorden volgen later) over het thema restrictie.
Mogelijke antwoorden kunnen hieronder worden weergegeven als reactie. Niet reageren betekent natuurlijk een royement.

Een lesje domineren van Capablanca (Capablanca – Ragozin, Moskou 1935.)
(En voor wie denkt dat Ragozin een knoeier is: Ragozin was een zeer sterke grootmeester, vaste sparringpartner van de latere wereldkampioen M.M. Botwinnik.)

clip_image018
Opgave 1 – wit aan zet speelt?
Denk aan de vraag: wat wit zwart spelen?
clip_image020
Opgave 2 – Wit heeft een zwakte gezien.
Hoe legt hij die vast?
clip_image022
Opgave 3 – Zwart heeft vanwege ruimtegebrek
niets gedaan om wits plan te verhinderen. Hoe
gaat wit nu verder?
clip_image024
Opgave 4 – Wat “dreigt” zwart en hoe
kan wit dat verhinderen?

clip_image026
Opgave 5 – Wit domineert, maar hoe nu verder?

clip_image028
Opgave 6 – Wat nu? Het thema is restrictie,
dus het antwoord kan nooit moeilijk te vinden zijn!

28 Comments

  1. knightfight 8 mei 2013 at 17:20

    opgave 1: Wit speelt g4, verhindert f5. Ik zou althans f5 willen spelen met zwart om de stelling te openen voor de witveldige zwarte loper. Zwart kan f5 voorberiden met g6 maar dan kan wit eventueel na g4 ook nog Pg3 spelen. Een nadeel zou kunnen zijn dat veld f4 zwak wordt, maar dat is denk ik niet erg omdat zwart geen zwartveldige loper meer heeft

  2. knightfight 8 mei 2013 at 17:24

    Overigens als opgave 2 uit dezelfde partij als opgave 1 komt, is er in ieder geval een moment geweest waarop g4 gespeeld werd.

  3. knightfight 8 mei 2013 at 17:36

    opgave 2 is moeilijk.
    g7 is een zwakte (dus zwart wil misschien g6 spelen) en de witveldige loper heeft erg weinig bewegingsruimte. Daarom misschien f5?
    1 f5 g6 2 h5 en proberen een vrijpion te krijgen?

  4. Frank van Tellingen 8 mei 2013 at 19:42

    f5 is inderdaad de enige manier om tegenspel te krijgen. Wit verhindert dat door g4.
    Bij opgave twee zit je in de richting, vraag je af waar zwart zwaktes heeft.

  5. TF 9 mei 2013 at 11:06

    Leuk dit !

  6. Frank van Tellingen 10 mei 2013 at 16:56

    Leuk is geen schaakzet Ton! Ik wil antwoorden!

  7. Maaike Keetman 10 mei 2013 at 18:35

    Een erg leerzaam stuk Frank, hopelijk volgen er nog meer. Ik denk dat Shannon gelijk heeft wat betreft de eerste twee stellingen. Bij de tweede opgave denk ik dat f6 en g7 allebei zwak zijn (of kunnen worden) en na f5 is Ph5 misschien een idee. Als zwart dat verhindert door g6 te spelen, denk ik dat h5 een optie is, of eerst op g6 ruilen en dan h5 spelen.

  8. Maaike Keetman 10 mei 2013 at 18:51

    Ik denk dat de derde opgave begint met een ruil op f6: gxf6 gxf6, en daarna Pg7 of Tg1 om g7 nog een keer aan te vallen.Na Pg7 kun je met h5-h6 een sterk veld creëren voor het paard dat daar natuurlijk fantastisch staat, en als zwart zelf h6 doet wordt die pion natuurlijk erg zwak en kun je hem eventueel winnen met Dg6. Zwart heeft vrij weinig bewegingsruimte, en kan volgens mij niet veel doen om tegen wit in te gaan.
    Dan opgave 4. Het enige wat zwart kan doen, is denk ik Pa4, eventueel gevolgd door Da5 om druk uit te oefenen op c3. Wit kan dat misschien verhinderen door Db3 te spelen, omdat het paard dan gepend staat. Maar als zwart veld b7 dekt door bijvoorbeeld Tb8 te spelen, dreigt Pa4 opnieuw om ook b5 te kunnen spelen, een zet die zwart bevrijdt op de damevleugel. Ik vind dit een lastige opgave, waaruit duidelijk blijkt dat alles nog niet meteen uit is, ondanks het feit dat wit veel beter staat.

  9. Maaike Keetman 10 mei 2013 at 19:07

    Opgave 5. Op de koningsvleugel kan niet veel progressie worden gemaakt, daarom moet wit actie ondernemen op de damevleugel lijkt mij. Een idee is a4-a5, maar a4 is niet mogelijk omdat zwart dan Lxa4 speelt en wit gewoon een pion kwijt is. Ik weet niet zo goed hoe wit verder moet komen, omdat zwart nog steeds Tb8 en Pa4 kan spelen. Maar misschien is Ld1 een idee, en na Tb8 dan Da2 om a4 te dreigen. Pa4 lijkt niet zo goed, omdat je dan kunt slaan en Pe6 dan aantrekkelijk wordt. De loper kan later nog teruggespeeld worden naar de koningsvleugel, om ook daar de controle te houden.
    En de laatste opgave lijkt dan minder lastig, maar valt tegen. A6 is de eerste ingeving, omdat zwart dan bijna niets meer kan zetten. Maar na b5 valt het nog mee. Dus mijn andere idee is Db3, dan verhinder je b5 en bxa5 is ook meteen onmogelijk. Daarna kun je eventueel nog a6 doen met wit, tenzij zwart a6 speelt. En dat is toch wel vervelend. Nog even terug naar a6 b5, als wit dan ruilt en na Lxb5 c4 speelt? Dan komen er toch al aardige aanvalsmotieven in de stelling.

  10. Frank van Tellingen 10 mei 2013 at 20:38

    Hallo Maaike, wit staat inderdaad veel beter en vroeg of laat kan wit met Pe6 de partij beslissen. Over opgave 5: a4 is wel mogelijk, kijk maar naar de tactische rechtvaardiging (na Lxa4). De kunst van manoeuvreren in zo’n stelling, zoals Nimzowitsch al schreef, is de tegenstander door schijnbaar zinloze manoeuvres zijn geduld te laten verliezen. Dat is een stuk makkelijker voor diegene, die geen ruimte heeft om te zetten.

    In het kader van chaotisch nakijken: f5 en gxf6 is inderdaad het idee. Pg7 is een manier om voorlopig het sterke veld g7 te bezetten. Op het goede moment kan wit dan middels Pe6 een beslissing forceren, dan wel dreigen een keer met een toren binnen te komen. Capablanca was overigens een meester in dit soort partijen waarin de tegenstander geen vin meer kon verroeren. Als jullie meer van het posistiespel willen leren (techniek van het verhinderen van de plannen van de tegenstander,profylaxe) dan is Capa een goed punt om te starten. De controle die hij houdt over een ruimtevoordeel is erg leerzaam.

    Ik zal Arthur vragen de pgn’s met analyse te publiceren, dan kan iedereen de antwoorden checken.

  11. drulovic 10 mei 2013 at 20:56

    Capa een goed punt om te starten?!
    Dat mag je zeggen. Ook om te eindigen. Met afstand de meest getalenteerde positiespeler aller tijden. Een schaakgenie zonder weerga.

  12. Danny 10 mei 2013 at 21:18

    Frank,

    Wat doe je dan na 1… Lca4 2.Txb6 Dxb6 3.Dxa4 Db1?

  13. Danny 10 mei 2013 at 21:18

    Lxa4

  14. Frank van Tellingen 10 mei 2013 at 21:39

    Begrijp ik, ik vraag me, nu ik dat zo zie, af of er niet een pion verkeerd staat in diagram 5 hoort de a-pion volgens mij al op a4 te staan.

    Maar ook dan kun je na Lxa4 2.Da3 Ld7 winnen met 3.Pe6 Lxe6 4.fxe6 en Lf7 gevolgd door Txg8 is niet te verhinderen. Maar dit is op basis van wat ik nu denk, ik zou het ook moeten checken in de analyse (als die dan correct is natuurijk – de moeilijkheid is soms dat je je door het resultaat en de impressie van de partij laat beïnvloeden om niet naar het lastigste tegenspel te zoeken)

  15. Danny 10 mei 2013 at 21:42

    Na Da3 heb je Lc2!

  16. Danny 10 mei 2013 at 21:43

    OM na ta1 gewoon a6 te doen.

  17. Frank van Tellingen 11 mei 2013 at 07:50

    Daarin heb je gelijk. Wit moet Da2 spelen. En dan de bovengenoemde variant. Overigens speelt wit in diagram 4 gewoon Ld2. Pa4 is dan zonder pointe, na Db3 heeft zwart weinig andere opties dan met Pa4 teruggaan naar b6, omdat er Pe6 dreigt (wint een beslissend tempo als zwart dan nog terug moet naar b6).

    Maar het lijkt me raadzaam als de pgn’s met analyse ook op de site worden gezet, want daar staat het allemaal in (en dat spaart mijn grijze cellen).

  18. Peter van Diepen 16 mei 2013 at 09:00

    Ik was nog bezig met Karpov – Nogueiras stelling na 35…Thc8. Na 36.h4 Pa6 werd ik afgeleid door twee pionnen die ik kon slaan. Het duurde even om 37.Txa5 Pb4 38.Txb7+ Ke8 (de enige zet) te vinden. Dit heeft allemaal natuurlijk niets te maken met het thema restrictie, maar dat is natuurlijk wel de reden waarom schakers zoals ik moeite hebben om het verhaal goed te volgen.

    Als ik weer wat tijd heb, ga ik een poging doen om de Capablanca opgaven te maken.

  19. Gerrit P 16 mei 2013 at 21:21

    Hallo Frank, bedankt voor de interessante les.
    Als ik naar opgave 6 kijk, kan ik de verleiding niet weerstaan, om Lh5-g6 te spelen.Leuk offer.
    Dan h7 neemt g6 en wit speelt h7.De bedoeling is h8 D.
    Dit kan ondersteund worden met Th1 en later evt. met de dame.
    Ik zie niet snel een effectieve oplossing op de a en de b lijn, vandaar het bovenstaande.

  20. Ruud Niewenhuis 17 mei 2013 at 08:04

    Ger, als je h7 speelt neem ik met de dame het paard op g7 twee stukken kwijt en je krijgt het paard met hxg8 terug, nog voordat je hier een dame voor vraagt haal ik deze pion er ook af…

  21. Gerrit P 17 mei 2013 at 09:34

    Ruud, klopt, dan doe ik als tussenzet Txg6 en daarna alsnog h7.(na het offer van de loper op g6 natuurlijk)
    De zwartveldige loper gaat Ph6 tegen.
    Dan komt wit na Tx g6 als tussenzet een kwaliteit voor, want het paard kan er niet blijven staan, wegens de promotie op h8.
    Salud.

  22. Ruud Niewenhuis 17 mei 2013 at 16:51

    Als jij Txg6 dan kan het P xh6 doen misschien noodsprong ook, maar misschien ipv
    1.Lg6-Pxh6! 2.Lxh6 en dan TxPg7, Lxg7 Dxg7, dan kan de Loper niet weg wegens DxTg1, zo uit het blote hoofd…

  23. Gerrit P 17 mei 2013 at 21:14

    Ruud, neem er maar een bord bij, want dit klopt niet; Txg6, Px h6, Lxh6
    Nu staat Pg7 twee maal gedekt, door T g6 en L h6.Dan de Dame erbij halen naar d2 om L h6 te dekken en dan Pe6 spelen.Dreigt Pc7 en Lxc8, het blijft een mooi spel.

  24. Ruud Niewenhuis 17 mei 2013 at 22:16

    Gerrit ik geef een tweede variant na Lg6….Pxh6! Bij de eerste heb je gelijk, maar dan heb ik een loper en pion, jij het paard…

  25. Frank van Tellingen 17 mei 2013 at 22:35

    Eerlijk gezegd denk ik dat je eerste ingeving correct is Ruud: na hxg6 en dan Txg6 kun je bijvoorbeeld met Pxh6 het stuk teruggeven (Lxh6 Dh8). De variant met Pxh6 direct klopt niet helemaal omdat na Lxh6 Txg7 bijv. Tg4 kan worden gevolgd door Lxg7. Het hele punt is nu juist dat dit volstrekt onnodig is. En dat is ook het moeilijkste in zo’n stelling voor de aanvallende partij (met een enorm ruimteoverwicht) niet het geduld te verliezen, wanneer te oogsten is de vraag. In dit geval, zie de pgn, besluit Capa om se damevleugel hermetisch af te sluiten met a6. Elke ruil van stukken is hier overigens gunstug voor zwart als partij met ruimtegebrek, omdat het ruimte creëert. Alleen mits het geen directe tactische nadelen heeft natuurlijk.

    Om op Peter te reageren: heb je zelf al gevonden hoe zwart tegenspel krijgt na Txa5? Dat is dus wat je moet voorkomen, totdat je zeker bent dat je kunt oogsten: geen tegenspel is het devies. Meestal kun je dat niet helemaal uitsluiten, maar in deze partijen laten Karpov en Capa zien hoe je een enorm ruimteoverwicht opbouwt en vervolgens behoudt en tenslotte op een goed moment pas gaat oogsten. Het punt van spelen op restrictie is nu juist om steeds dat beetje tegenspel in de gaten te houden en te beoordelen of het serieus te nemen is of niet,

  26. Ruud Niewenhuis 19 mei 2013 at 14:08

    Gerrit en Frank: ik leg het maar één keer uit 😉 na Lg6 steekt wit zijn hoofd in een wespennest: de variant met direct op h6 slaan lijkt te gaan: dus Pxh6, Lxh6 zwart speelt Txg7 en pent de witte loper op g6 en wordt de toren op g7 gepend door Lh6 het voorgestelde Tg4 gaat niet: want hxg6, Txg6, Dh8 staat zwart weliswaar een kwaliteit achter na Lxg7, Dh1+, Kf2 maar de Dame neemt op e4 en de witvelderige loper komt via f5 op e4 en zwart staat goed!Dh2 of Lxg7 komen in aanmerking met ongeveer gelijkspel! Maar waarom zou je hoofd in een wespennest steken, ofwel een onduidelijke ontwikkeling….ik denk als je plan A niet ziet dat begint met a6!https://www.google.nl/search?q=wespennest&ie=UTF-8&oe=UTF-8&hl=nl&client=safari#biv=i%7C0%3Bd%7C2tr_SwOGUc922M%3A

  27. Frank van Tellingen 19 mei 2013 at 17:56

    Ehm, niet om het één of ander Ruud, maar wat je schrijft was volgens mij de pointe van mijn opmerking 🙂

  28. Ruud Niewenhuis 19 mei 2013 at 23:25

    Kortom, bij twijfel niet inhalen!!

Leave A Comment