In de serie ‘Een duik in het verleden’ werd me gevraagd ook een duit in het zakje te doen. Dat is niet tegen dovemansoren gezegd. Normaliter laat ik geen kans voorbij gaan om de ‘social media generatie’ op het hart te drukken dat vroeger alles beter was. Toen een privé-avondje met je geliefde nog niet nauwlettend werd gevolgd door 437 Facebookvrienden (waarvan 41 het leuk vinden) en het snijden van een leverworst niet ten minste één maal werd onderbroken om een Tweet de wereld in te sturen met een foto van een gesneden leverworst. #metmosterdenaugurk.

Het enige wat vroeger ronduit belabberd was? Mijn discipline om een partij voor het nageslacht te bewaren. Waar Jan Poland iedere pot uit zijn omvangrijke carrière heeft gedocumenteerd in 60,5 notatieboekje, krabbelde ik mijn zetten op losse papiertjes, die vroeg of laat naar de eeuwige jachtvelden zijn vertrokken. Verfrommeld en wel. Eeuwig zonde.
Hoewel? Misschien is het maar goed ook. In herinnering zijn koningsaanvallen altijd mooier dan in het echt, zijn ontsnappingen altijd heroïscher en stille zetten altijd stiller.

Zo wordt er nog altijd lyrisch gesproken over het Braziliaans elftal van 1970, dat onder leiding van Gerson en Pelé de wereld in vervoering bracht met hun oogstrelende voetbal, en daarmee de bijnaam ‘The Beautiful Team’ verwierf. Of wat te denken van Valeri Lobanovsky’s Dinamo Kiev dat medio jaren ‘80 furore maakte in Europa met hun ‘machinevoetbal’. Tip: kijk de wedstrijden nooit terug, want dan zie je een gezapig potje waarin de keeper 6 keer achter elkaar een terugspeelbal oppakt en weer terugrolt naar de linksback.
Zo gaat het ook met schaakpartijen. Berg het goed op in je geheugen en vertel je kleinkinderen later over dat magistrale offer op f5 tegen die schier onklopbare tegenstander en de prachtige patwending tegen dat wonderkind. Naspelen werpt slechts de vraag op waarom die kneus op zet 23 niet gewoon een stuk won.

Mijn schaakjeugd speelde zich af in de Karpov-Kasparov jaren. Laatstgenoemde werd beschouwd als een van de beste schakers allertijden (later zelfs door velen gezien als dé beste) en trainer Jeroen S. raakte niet uitgepraat over de onnavolgbare profylaxe en eindspeltechniek van de goed gecoiffeerde oud-wereldkampioen. Ondertussen was Jan Timman (‘best of the (w/r)rest’) in Nederland uitgegroeid tot schaakidool der natie.
Hoewel ik nimmer heb ontkend dat de beste heren op de hoogte waren van de gang der stukken, bestond er voor mij maar één held. De kunstenaar tussen de academici, het genie te midden van de normale stervelingen. Tal was niet alleen uniek, hij was de grootste, de briljantste. En dus waren Frank van Tellingen en ik van mening dat iedere pot moest worden gespeeld in de geest van Tal. Elk offer werd vergezeld van de uitspraak ‘oeh, Tal!’, ‘schoon, Tal!!’ of gewoon ‘Tal!!!’. Sterker nog, wanneer mijn naamgenoot bij een analyse kwam aangewandeld, vroeg hij standaard: ‘Kun je niks offeren? Dat zou Tal ook doen’. Ook als hij de andere kant op keek.

Combinaties, daar ging het om in het schakersleven. En dus werd 1.d4 vergezeld van een vraagteken en 1.c4 van een dubbele. Wanneer ik werd geconfronteerd met Ruud Adema of soortgelijke saboteur van ons edele schaakspel, daalde pardoes het schaakplezier tot het absolute nulpunt. Hoe moest ik me in godsnaam uit dit loopgravengevecht offeren? Vaak trachtte ik krampachtig en in tegenspraak met alle schaakwetten iets als 3…h5 en 4…h4, om na een stukgelopen koningsaanval de vlag te moeten strijken op zet 71. Gelukkig heb ik dergelijke zelfkastijding niet gedocumenteerd.

De Pioniersschaken in alkmaar

Maar natuurlijk leverde zo’n instelling ook de nodige pareltjes op. Vaak zal het niet allemaal even correct zijn geweest, maar daar was ik dan ook Tal voor, die zijn tegenstanders doorgaans zo murw combineerde, dat ze hun enige redding over het hoofd zagen. Maar, u raadt het al, ook hiervan is niets terug te vinden in mijn schaakarchief, hoewel archief iets te veel eer is voor de verzameling van losse flodders.

Anno 2013 is Tal nog altijd de meest tot de verbeelding sprekende schaker allertijden. En voor mij zeker de geniaalste. Toch speel ik tegen de Adema’s van deze wereld geen 3…h5 meer, maar probeer ik hem af te troeven door een bedachtzame witte velden strategie. Offeren gebruik ik nu vaak als eufemisme voor blunderen en als klap op de vuurpijl tracht ik heden ten dage zelf de jongere generaties het leven zuur te maken met 1.c4 (‘oeh, Smyslov!’). Tijden kunnen verkeren, maar het schaakplezier is gebleven. Vooral als er iets te offeren valt.

Vanaf ongeveer 2005 heb ik een groot deel van mijn partijen bewaard. Gelukkig was dit nog een tijd die kan worden aangemerkt als ‘overgangsperiode’, zodat er wat flarden zichtbaar zijn van de persoon die ooit door Nico Vink ‘de combinatieman’ werd genoemd. Ik beleef vooral prettige herinneringen aan scherpe Siciliaanse partijen, open (uiteraard!). Met wit speelde ik vrijwel zonder uitzondering systemen met Lc4, aangezien de koning onder vuur diende te worden genomen! Niet zelden ging dit gepaard met bruut geweld.

En dan ook maar een pot van de ‘nieuwe Frank’, hoewel deze benaming wat verwarrend is, aangezien de partij uit hetzelfde toernooi komt als die van de ‘oude Frank’. Het zijn vast niet de allerbeste partijen die ik ooit speelde, maar kenmerkend zijn ze misschien wel. En ik beleef er prettige herinneringen aan.

Het Noord-Hollands kampioenschap van 2005. Destijds was het provinciaal kampioenschap een stuk sterker bezet dan tegenwoordig, wellicht door de mogelijkheid om zich te plaatsen voor de voorronde van het Nederlands Kampioenschap.
In dat jaar zou ik 2e worden, met 3 remises en 3 overwinningen.
De partij Agter – Bonte werd gekozen tot mooiste partij van het toernooi en verscheen in het Noord-Hollands Dagblad. Een computeranalyse deromantiseert de partij wellicht, maar ik heb er goede herinneringen aan. Wismeijer – Agter is veel minder spectaculair en kenmerkt de ‘omslag’ die ik destijds doormaakte.

Toch kruipt anno 2013 het bloed vaak nog waar het niet gaan kan, en kijk ik altijd eerst of er niets geofferd kan worden. Tal zou het zeker doen. Helaas ben ik een normale sterveling die wat aanmoddert in de 2e klasse. Documenteren is nog altijd niet mijn sterkste punt, maar gelukkig is Jan Poland de teamcaptain.