Tellingen_Frank_van-C-2003Het was schrikken toen ik vernam dat Frank van Tellingen bedankt had als lid van De Waagtoren. Frank, die ondanks de afstand die was ontstaan nadat hij in Den Haag was gaan samenwonen, toch altijd zeer betrokken bleef bij het Alkmaarse schaakleven steeds vol zat met enthousiaste plannen en ook niet te beroerd was daar aan mee te werken. Ik herinner me nog de trainingsactiviteiten die we een paar jaar geleden hadden opgezet voor de spelers van het Eerste. We zouden ons o.a. voorbereiden op het Grünfeld-indisch, waarop Frank meteen met een uitvoerig artikel op de proppen kwam. En nog niet zo lang geleden verraste hij Maaike en mij i.v.m. de tweekamp van Maaike tegen Anne-Maja Azarian. Hij kwam niet alleen met de aanbeveling een bepaalde variant tegen het Frans van Anne-Maja toe te passen, hij liet dat vergezeld gaan met een twaalf pagina’s tellend artikel. Typisch Frank, hij dacht dat je dat wel in een paar dagen in je hoofd kon stampen.
We konden Frank toch niet zo maar onopgemerkt laten gaan en wat wist ik eigenlijk zelf van hem? Ik dook daarom eerst maar eens in de geschiedenis en stootte daarop al snel op het jeugdkampioen-schap tot 16 jaar in 1994. Het misschien wel sterkst bezette jeugdkampioenschap ooit uit de Nederlandse geschiedenis, als we dat tenminste op titelhouders baseren. Vier van de deelnemers kunnen zich thans met de GM-titel sieren, te weten Sipke Ernst, Martijn Dambacher, Ruud Janssen en Maarten Solleveld en twee met de titel IM, Merijn van Delft en Lucien van Beek. Onder de 19 deelnemers ons twee bekende namen, Daan Geerke (!) en Frank. Daan eindige als 17e met 3 uit 9. Frank deelde uiteindelijk de tweede plaats onder andere met vier van de eerder genoemde titeldragers. Bij het ingaan van de laatste ronde stond hij nog bovenaan, maar verloor uiteindelijk van Lucien van Beek, de nieuwe jeugdkampioen. Van hem werd trouwens nadien niet zoveel meer vernomen als schaker. Hij ging in Leiden studeren maar veroverde toch nog in 2006 de IM-titel door resultaten in de KNSB-competitie.
Ik was nadat ik deze gegevens opgeduikeld had, nogal nieuwsgierig naar Franks terugblik op dit kampioenschap in relatie tot zijn studie en andere interesses. Waarom wordt zijn naam niet gesierd met een schaaktitel in tegenstelling tot zoveel van zijn schaakrivalen? Hij nam voor zijn reactie even de tijd, maar hier is dan zijn bijdrage.

Schaakloopbaan

clubavondIk leerde schaken van mijn vader toen ik vier jaar oud was, veel begreep ik er niet van, maar het maakte wel een magische indruk op me. Toen ik negen was vond ik het leuk om in de pauzes te schaken met vriendjes in de klas, de regels kende ik niet goed, van rokeren had ik nooit gehoord, daarom begon ik meestal de partij met 1.g3 2.Lg2 (in de hoop op 1…b6, 2…Lb7) 3.Pf3 en 4.Tg1 en daarna op de andere vleugel, om alles te dekken.
Met een jaar of tien gingen enkele vriendjes in de klas schaken bij RSR via de 10-gulden-voor-10-lessenregeling van de gemeente Rotterdam. Zelf mocht ik niet, omdat mijn moeder het te eng vond om me rond acht uur zelfstandig met de tram naar huis te laten komen (ophalen kon niet, want mijn zus turnde op dezelfde tijd). Van mijn vriendjes leerde ik daarna regels als rokeren. Frustrerend was het gegeven dat jongens die er (in mijn ogen) toen al
werkelijk niets van konden opeens in vier zetten wisten te winnen. Ik denk dat ik zeker een stuk of 12 keer herdersmat ging, zonder werkelijk te begrijpen wat hier misging. Even dacht ik dat schaken niet leuk meer was, wit wint altijd in vier zetten. Een exemplaar van Berry Withuis’ boekje “jeugdschaak” bracht uitkomst. Nadat ik dit had uitgewerkt en diverse andere sporten had geprobeerd zoals voetbal en tennis, versloeg ik oom Piet (nu nog spelend voor Het Witte Paard in Zaandam) op een familiefeest. Dankzij mijn moeder werd ik toen, inmiddels 12, alsnog aangemeld als lid bij RSR Ivoren Toren onder de bezielende leiding van Nathanaël Spaan. Het mooie wil dat de jongen die me op school herdersmat wist te zetten er ook speelde en ik zon natuurlijk op wraak. Dit keer speelde ik Frans, om in ieder geval niet herdersmat te gaan. Helaas wist de beste jongen iets op het bord te goochelen met Pf3-g5 en Df3 en zo geschiedde door onoplettendheid het onvermijdelijke. (Het begint wat op schaaknovelle te lijken). Nogal naief begon mijn schaakloopbaan: in mijn ogen waren alle leden van een club supersterk – maar al snel bleek dat wel mee te vallen.
Na een paar maanden bij de jeugd te hebben gespeeld, maakte ik de stap naar de senioren, samen met mijn huidige zwager Reinier Feiner (intussen gestopt als schaker, maar nog altijd een verdienstelijk tegenstander in snelschaakmatches). Deze avonden die blauw stonden van de rook, waren buitengewoon gezellig en werden gekenmerkt door een keihard soort humor, dat in Rotterdam gebruikelijk is. Mijn schaakniveau van deze jaren stelde niet zoveel voor (ter illustratie een partij uit het PK van Rotterdam waarvoor ik me had weten te kwalificeren), de beginzetten spreken boekdelen: Ramses van Alphen – Frank van Tellingen 1.d4 Pf6 2.Pf3 g6 3.Lf4 Lg7 4.h3 0-0 5.e3 h6 6.c4 Lh8 (en nu sloeg wit niet op h6). Etc. Maar ik bleef het leuk vinden. Op het Erasmiaans Gymnasium was er een leraar  geschiedenis, dhr. Stout, een amateurschaker van het niveau 1500 die zijn lokaal als schaaklokaal had ingericht voor in de pauzes (Simon de Wijs was een goede schaker die daar op school zat en tegen Xander Wemmers en Martin Roobol keek ik als kleine jongen huizehoog op). De wiskundedocent, dhr. Van Rijn was een goede clubschaker die mij de kunst van het matzetten met twee lopers, loper en paard, eindspel K + pi vs. K bijbracht. Dankzij zijn lessen, een boekje van Tabe Bas en Hans Bouwmeester en een niet aflatend fanatisme dat zich uitte in de stelregel elke zaterdag een toernooi was er wel enige vooruitgang te bespeuren. De verhuizing naar Alkmaar in 1992 was doorslaggevend. Bij 0-0-0 en De Pioniers bleken veel meer goede schakers rond te lopen en dankzij de lessen van Jeroen Smorenberg over combineren en tactiek als ziel van het schaakspel ging het de goede kant op. Hoogtepunten waren er tot het uiteenvallen van de Pioniers met een gedeeld 2e plaats op het NK tm 16, een vierde plaats in een sterk bezet invitatietoernooi met de hele jeugdtop (Solleveld, Willemze, Hoogendorn, Do, Van Delft, Berkvens, Janssen noem maar op) dat werd gewonnen door Van den Doel, en tweemaal een eerste plaats op het open NK snel-schaken (95 en 96). De klad kwam er een beetje in toen wij zelf bij het ASG de hele organisatie draaiende moesten houden. Jeroen stopte als trainer wegens een akkefietje over een betaling van 3 gulden (jawel!) per uur. Daarna duurde het lang voor er weer serieuze progressie werd geboekt.

Het leven ging intussen natuurlijk ook verder. In 1996 startte ik met een studie filosofie aan de UvA, in 1997 woonde ik een half jaar samen met Daan Geerke en Kim Munnik en waren we vooral bezig met werken, studeren en onze eigen schaakclubs (we hadden drie jeugdafde-lingen opgericht, waaronder een Pioniers in Castricum waar ik dinsdag lesgaf (donderdag en vrijdag gaf ik les in Alkmaar). We volgden de trainerscursussen onder leiding van de schrijvers van de heel goede stappenmethode, Cor van Wijgerden en Rob Brunia.
Cor zag het wel zitten in mij als trainer, maar mijn rating in die tijd was een schamele 1900, niet heel representatief tussen Jeroen Bosch en Karel van der Weide etc. Ik was ook wat te bescheiden (m.b.t. het spelniveau) om wat te pushen, maar ik had dat wel zien zitten.
Tot 2007 heb ik overigens met veel (soms wisselend) plezier lesgegeven. Toen de generatie van Danny langs was gekomen vond ik het mooi geweest. Samen met Kim heb ik toen de stekker uit de Pioniers getrokken. Tijdens deze jaren heb ik studeren, werken en schaken als hobby zo’n beetje gecombineerd. In 2000 ging ik een jaartje bij de Volkskrant werken als redactie-assistent. Een luizenbaantje eerste klas.
Je kreeg er 6,5 uur voor betaald, het werk was in drie kwartier geklaard (en dan nog als je langzaam werkte). Tijdens het werk was er daarom voldoende tijd om op kasparovchess.com te schaken! In 2001 had ik het wel gezien en besloot ik met een studievriend bij het bedrijf van Marcel Otte te gaan werken. Een stap waar ik later nogal eens spijt van heb gehad – werken voor iemand met wie je bevriend bent is helemaal niet eenvoudig – toch besloot ik er vol voor te gaan. Dat leidde op het hoogtepunt (2005-2007) tot lange (en onder ons gesproken – ik wil hier publiekelijk niet over klagen) vaak wel zeer matig betaalde) werkweken van 70-80 uur waarbij vaak het bestaan van het bedrijf ook nog op het spel stond (dus ging iedereen maar door). Record is een oplevering bij Thermae2000 met een werkdag van 43,5 uur. In mijn vrije tijd “studeerde” ik de beginselen van het gitaarspelen bij John Schuursma in Bergen. Een jaar of drie, vier (2002-2006) ben ik daar over de vloer gekomen en ik heb er alleen de beste herinneringen aan. Naast de boeiende wereld van de jazzblues heeft John ook de mooiste theorieën over het leven en andere zaken, waar we dan ook veel uur aan wijden. Nu kom ik af en toe nog als huisvriend op bezoek, gitaar speel ik soms in de docentenband op school – maar het mag geen naam hebben (laten we zeggen: 1600-niveau). Leuk is het wel.

In 2006 (na een tussenpauze van 4,5 jaar) rondde ik mijn studie Filosofie af (ook onder druk van de deadline van 10 jaar voor het terugbetalen van de studiebeurs). Deze studie heeft nogal wat hobbels gekend omdat ik al snel gegrepen werd door de filosofie van de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein en mijn interesse er vooral in bestond om de technieken die hij aandroeg om goed te filosoferen (jazeker, ook filosofie is een serie technieken) onder de knie te krijgen. En dat is een langzaam proces, zeker bij een matig talent voor filosofie levert dat de nodige frustratie op. Soms denk ik wel eens: was er maar een filosofierating, dan zou
het makkelijker zijn om te zien of je goed bezig was of niet – natuurlijk een onzinnige en oppervlakkige gedachte. Ik troost me maar met de wijze woorden van L.W.: für Philosophen soll gelten: lass dir Zeit (neem de tijd) en ook: Ehrgeiz ist der Tod des Denkens (ambitie is de dood van het denken). Na de studie filosofie besloot ik in 2006 door te gaan met Duits om mogelijk een nieuwe carriere in het onderwijs van de grond te krijgen. Die studie ging een stuk voorspoediger (ondanks de drukke baan) dan de eerste: altijd goed voorbereid ergerde ik me wel eens aan medestudenten die het boek niet hadden gelezen etc. In 2009 vond ik mezelf goed genoeg en maakte ik de stap naar het onderwijs. Een kans die per toeval op mijn weg kwam. Een Zwitserse vriend had gesolliciteerd op een school (hij was gepromoveerd in het historisch onderzoek naar de Middeleeuwse dodendans), maar besloot toch niet op de baan in te gaan. Ik werd als vervanger getipt en zo kwam ik in Noordwijk terecht. Daar kon ik een kleine baan krijgen voor 2100 bruto per maand (tsja, het onderwijs houdt als beginnend docent niet over, nu zou ik er niet over klagen). Mijn baas werd wat benauwd dat ik weg zou gaan en wist me met enkele materiële beloften nog een week aan het twijfelen te brengen – uiteindelijk bleek de baan vergeven. Maar de rector van deze school had nog wel een adres in Leiden, waar ze ook een docent Duits zochten. Op de allerlaatste dag van het schooljaar kwam ik op gesprek. Van twee kandidaten kreeg ik de voorkeur en ik kon meteen beginnen voor 4 dagen in de week met 0,52 fte aan lesuren. (Vijf klassen). Het eerste jaar was niet gemakkelijk – 2 van de 5 klassen dreven me geregeld tot waanzin. Je maakt wat mee als beginnend docent. Jongens die de vogeltjesdans opvoeren in de klas. Jongens die naar voren rennen en gillen “ik ben de Taliban, waaaaah!” of meisjes die weigeren eruit te gaan of zich een lesuur verstoppen onder een jas, zonder dat je dat doorhebt.
Als beginnend docent zie je nu eenmaal net zoveel als iemand die net schaakt. Ondanks de nodige brokken mocht ik toch blijven en het tweede jaar ging een stuk beter en fijner. Ik had nu ook veel plezier met de leerlingen en het aantal lastige momenten werd steeds minder. Intussen voelt het na 6,5 jaar als een heel natuurlijke bezigheid, hoewel sommige akkefietjes met leerlingen me wel de nodige energie kosten en me ook af en toe nog wel wakker houden. In 2011 – het jaar dat mijn dochter geboren werd – moest ik mijn studie Duits afronden, want onbevoegd mag je maar een paar jaar voor de klas staan en bovendien had ik mijn school zover weten te krijgen dat ze mijn studie en lerarenopleiding erna zouden betalen. Een unicum denk ik: ik heb in een paar maanden tijd mijn propedeuse, BA en MA weten af te ronden. Door de drukke baan kon ik de studie niet “op volgorde’ doen en daarom miste ik – behalve de gehele master – nog een vak uit het 1e jaar, een ba-scriptie en de hele master (doctoraal). Ook hier had ik het nodige geluk er per toeval achter te komen dat er wel regels bestonden over de tijdspanne die er tussen de diverse diploma’s minimaal mocht bestaan. Eind april was ik de gelukkige bezitter van een propedeuse en BA-diploma. Eind augustus haalde ik mijn master na een pittige verdediging van mijn scriptie, in aanwezigheid van mijn 1 week oude dochter Salomé, (Die menschliche Natur als Maßstab aller Dinge, Gottfried Keller und Ludwig Feuerbach über den Glauben). De Oostenrijkse professore, die overigens geen kritische opmerking over de inhoud maakte, veegde me de pan uit voor slordig citeren (citaten aangepast naar de nieuwe spelling of onvolledig overgenomen etc.). Ze had natuurlijk gelijk. Mijn cum laude kon ik toch niet meer halen vanwege een versneld afstudeertraject i.v.m. mijn onderwijsbaan, maar op voorwaarde dat ik deze dingen zou verbeteren, kreeg ik wel een 8 (om een mogelijke academische carriere niet te schaden). 2012 haalde ik de eerstegraads-bevoegdheid (om in het VO te mogen lesgeven in alle klassen) – een opleiding waar ik verder liever over wil zwijgen (Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen…). Eén opmerklijke gebeurtenis wil ik nog wel noemen. Deze opleiding heeft de naam academisch te zijn. Daarom moet je wetenschap-pelijke artikelen lezen. Eén van deze artikelen toonde aan dat een bepaalde theorie nogal twijfelachtig was en nauwelijks toepasbaar in de onderwijspraktijk: de idee dat mensen meervoudige intelligenties bezitten (sommigen zijn verbaal of wiskundig sterk, anderen motorisch etc.). Een college werd ingeleid met de opmerking “we gaan nu wat doen met de meervoudige intelligenties van de mens” – op mijn kritische vraag dat de wetenschappelijke artikelen deze hele theorie nogal in twijfel trokken werd geantwoord dat “we toch gingen doen alsof het wél zin had.” Aansluitend kregen we een opdracht om onze identiteit als docent te kleien. De details waren natuurlijk genuanceerder, maar in grote lijnen was het af en toe vreselijk, de infantiliteit waar je aan werd onderworpen. Andere docenten hadden een “ik geef al 20 jaar aan pubers les” toontje ontwikkeld, waarmee ze ook volwassenen aanspraken. “Nou, we gaan dan dus onze gevoelens op een memoblaadje schrijven en die plakken we dan daarna op de muur.” etc. Toch heb ik er wel wat geleerd over het fenomeen “orde houden” onder andere.

 

En toch…was ik liever grootmeester geworden.

 

Wat betreft het gezinsleven: tot 2005 was  ik een typische “schaker” – niet bepaald een Casanova – per toeval liep ik op een feestje Hester, de zus van de vriendin van Reinier Feiner, tegen het lijf en sindsdien zijn we intussen alweer 10 jaar samen – met twee prachtige kinderen waar ik dol op ben, Salomé, 4 jaar, gaat intussen naar de kleuterschool en doet mij plezier omdat ze al een beetje kan schaken en lezen, maar vooral omdat ze erg dol is op grapjes maken – “Papa, heet jij eigenlijk niet “….” zelf bedachte naam. En Jonathan is een heel ondernemende klimmer die al voor zijn eerste jaar bijna kon lopen- heel anders dan zijn vader dus :). Hester werkt voor de Tweede Kamer, onder andere voor de voorzitter, voorheen mw. Verbeet, nu mw. Van Miltenburg. Ik kan je heel veel leuke anekdotes vertellen, maar helaas heb ik een spreekverbod op dit vlak. Wij hebben het allebei in elk geval heel druk met werken en vrije tijd vinden om samen nog op pad te gaan – anders wordt het helemaal zo’n routinematig bestaan. Geenszins geef ik het schaken op natuurlijk. En als het 1e nog een paar keer verliest, ben ik zelfs geneigd om bij te springen (maar hopelijk komt het niet zover).
Frank van Tellingen